De verdeling die stylisten aanhouden
Een veelgebruikte vuistregel verdeelt een kamer in ongeveer zestig procent hoofdkleur, dertig procent tweede kleur en tien procent accent. De hoofdkleur zit op de grote vlakken: wanden en vloer. De tweede in de meubels en de gordijnen. Het accent in de kleine dingen.
Het nut van die verdeling is niet de precieze verhouding maar de rangorde. Zodra twee kleuren om de hoofdrol vechten, oogt een kamer onrustig, hoe mooi de kleuren op zichzelf ook zijn.
Werken met wat er al staat
In een bestaande kamer kiest u de hoofdkleur niet meer: die ligt al op de vloer en zit in de bank. Begin daarom met inventariseren. Leg de drie grootste kleuren van de kamer naast elkaar en kijk of ze warm of koel zijn.
Warm en koel mengen kan, maar dan moet één kant duidelijk winnen. Een warme eiken vloer met koelgrijze meubels vraagt om warme accenten om het geheel niet klinisch te maken.
Accenten: één kleur, drie plekken
Een accentkleur werkt pas als hij zich herhaalt. Eén oranje kussen is een toeval; hetzelfde oranje in een kussen, een vaas en een boekrug is een keuze.
Drie is daarbij een prettig aantal, verspreid over verschillende hoogtes: iets op de grond, iets op tafelhoogte, iets aan de muur. Dat leidt het oog door de kamer in plaats van naar één punt.
Neutraal is geen kleurloos
De meeste interieurs draaien op neutrale tinten, en juist daar gaat het vaak mis. Wit bestaat in tientallen varianten en een koel wit naast een warm wit ziet eruit als een vergissing.
Kies daarom één witfamilie en houd die vast, ook bij kaders, kaarsen en keramiek. Hetzelfde geldt voor grijs: warm grijs met een bruine ondertoon en koel grijs met een blauwe ondertoon vloeken.
Ondertoon: het woord dat het verschil maakt
Twee kleuren die op papier hetzelfde heten, kunnen totaal verschillend uitpakken door hun ondertoon. Beige met een roze ondertoon naast beige met een gele ondertoon oogt vies; elk apart is het prima.
De test is simpel: leg de twee stalen naast een vel wit papier. Tegen dat neutrale wit ziet u meteen welke kant elke kleur op trekt. Doe dat ook bij hout: eiken trekt naar geel, noten naar rood, essen naar grijs.
Metaal telt als kleur mee
Goud, messing, chroom en zwart metaal gedragen zich als kleuren. Twee soorten metaal in één kamer kan, drie wordt rommelig. Kies er één als hoofdmetaal — meestal het metaal dat al in de lampen of de deurkrukken zit — en gebruik het tweede alleen als accent.
Warm metaal (messing, koper) past bij warme paletten; koel metaal (chroom, zwart) bij koele. Mengen mag, maar herhaal dan beide minstens twee keer, zodat het als keuze leest.
Patronen
Wie met patronen werkt, houdt het simpel: één groot patroon, één klein, en de rest effen. Twee grote patronen in dezelfde kamer vechten om aandacht, tenzij ze dezelfde kleuren delen.
Een praktische volgorde is: begin met het patroon dat u het mooist vindt, haal daar twee kleuren uit en gebruik die voor de rest. Zo bepaalt het patroon het palet in plaats van andersom.
Uitproberen kost bijna niets
Leg de spullen die u overweegt een dag naast elkaar op de vloer van de kamer zelf. Kijk er 's ochtends en 's avonds naar. In negen van de tien gevallen valt de beslissing dan vanzelf.
Werkt het niet, dan ligt het meestal niet aan de kleur maar aan de hoeveelheid. Zie Hoeveel decoratie kan een kamer hebben en Materialen die er na tien jaar nog goed uitzien.